HET
WEER,
NADER VERKLAARD
de (oudere) verhalen
zijn soms niet meer helemaal up to
date,
onze excusses daarvoor,
red.
IJsvorming
Water dat door de vorst in
ijs is veranderd.
Vrijwel
iedereen zal dat
regelmatig hebben
opgemerkt,
maar
het
bevriezen zelf ziet vrijwel niemand
voor zijn
ogen
gebeuren.
De
natuurkundige
Marcel Minnaert
(1893-
1970)
heeft
het proces aan de hand van eigen
waar-
nemingen beschreven.
Zodra het gaat
vriezen
koelt
het
water af,
het eerst aan het oppervlak.
Dat koudere
water is
zwaarder
en zakt omlaag.
Als een
temperatuur
van 4 graden
is bereikt mengt
het
zich
verder niet meer
omdat
water kouder dan
4 graden
weer lichter wordt
en
omhoog komt.
Het water
in de diepte blijft dus
zo'n
4 graden terwijl het water
aan
het oppervlak afkoelt tot
het vriespunt.
De ijsvorming
kan dan beginnen.
Dat gebeurt op het
wateroppervlak
met het ontstaan
van
sterretjes
en naaldjes.
Die worden
steeds
groter en
sluiten zich aaneen tot ze een samenhangend
laagje
vormen dat
langzaam dikker
wordt.
Vanuit dit laagje
schieten kristallen
naar beneden.
Ondertussen vormen
zich in het water andere
kristallen
die
omhoog komen
en samengroeien met de kristallen
aan het oppervlak.
Het water bevriest
het eerst aan de
oevers van
een
sloot.
Dat houdt verband
met stroming.
In het
midden
blijft het water
het langst op temperatuur.
De lucht, verwarmd door
aanraking
met het resterende
warmere
water,
stijgt op boven het midden van
de
sloot,
terwijl koudere
lucht vanaf de
oevers
toestroomt.
Die wordt op haar beurt
geleidelijk verwarmd naarmate
ze
het
midden van de sloot
nadert. Zo koelt het
water
aan de
randen dus sterker af
dan in het
midden.
Op de
ene
plaats ontstaat
ook sneller ijs dan op de
andere.
Dat
kan verschillende
oorzaken
hebben.
In een rivier
bijvoorbeeld duurt het
bevriezingsproces
veel
langer
dan in
een sloot.
Dat komt omdat
in een
rivier
een veel
grotere
hoeveelheid water moet
afkoelen
dan in een
sloot. Bovendien stroomt rivierwater meestal sneller dan
slootwater,
waardoor in een
rivier
voortdurend water
uit
verschillende lagen wordt
gemengd en de afkoeling
langzamer gaat. Onder een
brug komt het ijs
ook later
en blijft het
dunner.
De stroming onder een brug is door
een vernauwing
van de waterstroom
meestal sterker.
Bovendien
verdampt onder een brug minder water, is
er
minder
uitstraling en is ook
de
toevoer van koude lucht
geringer. Dat verklaart
ook waarom een open sloot
sneller met ijs bedekt
is behalve waar het water
onder
dichte takken of struiken ligt.
KNMI / Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard