Het verre
verleden als waarschuwing
Het klimaat op aarde verandert altijd. Meestal
gaat dat
geleidelijk, met temperatuurveranderingen van tienden
van graden over miljoenen jaren, waardoor ecosystemen
tijd
krijgen zich aan te passen. Maar er zijn
perioden in
de
geschiedenis van de aarde waarin het
klimaat abrupt
veranderde,
met drastische gevolgen.
Een van de bekendste
voorbeelden is het
Paleocene-
Eocene Thermal Maximum
(PETM). Kunnen we deze
periode
gebruiken als een
(mogelijk zorgwekkende) les
voor de
hedendaagse
klimaatverandering?
Het antwoord is ja-maar met
een
cruciaal verschil: het
gaat nu vele malen sneller.
Het PETM:
uitzonderlijk snelle opwarming
Op de grens tussen het Paleoceen en het Eoceen,
zo’n 56
miljoen jaar geleden (9 miljoen jaar na het uit-
sterven van de
dinosauriërs), vond een sterke
opwarming
van de aarde plaats
(zie afbeelding 1).
Er zijn aanwijzingen
dat kleine
veranderingen in de baan
van de aarde het
PETM hebben ingeluid
(astronomische
forcering genoemd).
Wetenschappers schatten dat
er
3000 tot 10.000 miljard
ton koolstof de oceanen en
atmosfeer
in is gekomen, met
name in de vorm van
methaan. Methaan wordt op een tijdschaal van ongeveer
tien jaar afgebroken tot CO2. Over
de
oorzaak van het
vrijkomen hiervan bestaan een aantal
theorieën, onder
andere het vrijkomen van methaan uit de
zeebodem als
gevolg van een onderzeese aardverschuiving
en
extreme vulkanische activiteit in de Atlantische Oceaan.
Wat de
oorzaak ook geweest is, de gevolgen waren
wereldwijd merkbaar.
Door deze koolstofimpuls warmde
de aarde
binnen 10.000 jaar met
4 tot 8 graden op.
Een tempo dat
voor geologische begrippen
uitzonderlijk
snel is. Dergelijke
snelle perioden van opwarming
worden ook wel
hyperthermals genoemd.
Gevolgen voor oceaan
en land
De toegenomen CO2 in de oceanen leidde tot verzuring,
met het
uitsterven van ongeveer 40 % van de benthische
foraminifera (kalkhoudende, eencellige diepzee-
organismen)
tot
gevolg. Ook nam het aantal koraalriffen
sterk af.
Veel soorten
migreerden: tropische planten en
dieren
zochten op hogere
breedtegraden soelaas.
Anderen hadden
de tijd om zich aan te
passen aan het
nieuwe klimaat.
Een voorbeeld hiervan is dat met
name
hoefdieren dwerggroei vertoonden: het kleiner worden
van
een soort als
evolutionaire respons op warmtestress
en op de
afname van
nutriënten in planten. Het PETM
wordt dan ook gezien
als
belangrijke drijfveer van
evolutie en migratie tijdens het
Paleogeen. Hoewel het
PETM geen massa extinctie veroorzaakte,
zijn eco-
systemen sinds het PETM blijvend veranderd
en zijn
vooral veel diepzeeorganismen uitgestorven.
Afbeeldingen eventueel aanklikken s.v.p.