Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard

De servicedienst voor al uw weersinformatie!
 



HET WEER,
NADER VERKLAARD
de (oudere) verhalen zijn soms niet meer helemaal up to
date, onze excusses daarvoor, red.

Geachte lezers van Het Weer, Nader Verklaard,

Het volgede verhaal moet elk jaar opnieuw verteld worden!
Dit was één van de grootste rampen in de geschiedenis van
Nederland en de zee, en mag nooit worden vergeten!
Een ramp van deze omvang of nog groter kan zo weer
gebeuren! Kijk naar de stijging van de zeespiegel door de
opwarming van de aarde door de mens! Een tijdbom die tikt!

Weerservice, weerman Siep de Boer



Watersnoodramp 1953: de dag ervoor...

Zaterdag 31 januari 1953, nu 73 jaar geleden:
De stormvloedseindienst verzendt om 11.00 uur een
telegram aan de groepen Rotterdam, Willemstad,
Gorinchem en Bergen op Zoom, met een waarschuwing
voor storm en daarmee gepaard gaand gevaarlijk
hoogwater. Het leven in het Deltagebied gaat gewoon
z'n zaterdagse gang. Her en der staan festiviteiten op
het programma, zoals in Kortgene de opening van het
nieuwe gemeentehuis. Commissaris van de Koningin
jonkheer A.F.C. de Casembroot moet in zijn dienstauto
wachten tot het water in de Zandkreek gezakt is, voordat
het veer Wolphaartsdijk-Kortgene hem naar Noord-
Beveland kan overzetten. Ook elders ondervinden veer-
diensten grote problemen door wind en hoog gerezen
water. De passagiers van de provinciale boot die
's avonds nog om 20.30 uur vanuit Katseveer naar
Zierikzee vaart, komen zeeziek en met doodsangst in de
ogen van boord. Aan het eind van de middag stuurt de
Stormvloedseindienst ondergebracht bij het KNMI in
De Bilt opnieuw een waarschuwingstelegram dat ook op
de radio in de ANP-nieuwsuitzendingen vanaf 18.00 uur
wordt voorgelezen: "Boven het noordelijke en westelijke
deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen
noordwest en noord. Het stormveld breidt zich verder
over de noordelijke en oostelijke Noordzee uit. Verwacht
mag worden dat de storm de hele nacht zal voortduren.

Daarom werden vanmiddag om half zes de groepen
Rotterdam, Willemstad en Bergen op Zoom gewaar-
schuwd voor "gevaarlijk hoogwater". Het telegram wordt
naar een beperkt aantal adressen gezonden: de dertig
abonnees waaronder Rijkswaterstaat en Provinciale
Waterstaat, alleen Walcheren is geabonneerd.
"Geen wonder dat de waarschuwing van de Stormvloed-
seindienst nauwelijks tot actie leidt". Dat schrijft
PZC-redacteur Rinus Antonisse, schrijver van het boek
"Februariramp 1953" (Uitgeverij Uniepers) in "de Ramp",
een bijlage bij de Provinciale Zeeuwse Courant (24 januari
2003) gewijd aan de Watersnoodramp van 1953.
In Weermagazine blikt weerkundige Marjon de Hond in
haar geboorteplaats terug op de Watersnoodramp:
"Zoveel natuurgeweld, in buitengewone meteorologische
omstandigheden. Als ik uit mezelf kon treden, zou ik er als
meteoroloog misschien enthousiast over kunnen zijn.
Maar dat kan ik niet. Laatst was ik in Ouwerkerk met m'n
rug naar de zee, keek ik over het polder landschap.
1835 doden! Het is niet voor te stellen, als je het niet hebt
meegemaakt. Hier past alleen stilte na de storm".

De hoofdingenieur waarschuwde al geruime tijd voor de
ramp voor onveilige dijken. Dr. ir Johan van Veen had zijn
plannen voor de Deltawerken al vóór 1953 uitgewerkt,
omdat hij toen al besefte dat de dijken niet veilig waren.
Dat meldt zijn kleinzoon Paul Fortuin, die als onderzoeker
werkzaam is bij het KNMI en goed op de hoogte is van
de ideeën van zijn grootvader. Van Veen had zijn plannen
voorgelegd aan de leiding van Rijkswaterstaat.
De realisatie kon indertijd echter geen doorgang vinden
door geldgebrek en andere prioriteiten. Als hoofdingenieur
bij Rijkswaterstaat was het hem niet toegestaan vanuit zijn
titel de pers te waarschuwen voor deze onveiligheid,
daarom deed hij dit onder de pseudonaam, Cassandra
(een Griekse ongeluks-profeet waarna niemand luisterde)
en met name bij interviews met het Elsevier tijdschrift.
Toen de dijken doorbraken wist de directie van Rijkswater-
staat dus al van zijn plannen. Kort daarna werden de delta-
plannen goedgekeurd en uitgevoerd. Inmiddels is door
Willem van de Ham een boek over hem geschreven dat
is verschenen bij uitgeverij Balans.

Watersnoodramp 1 februari 1953 (vervolg 1)

De stormvloed, die ons land 73 jaar geleden in de nacht van
31 januari op 1 februari 1953 trof, was de ergste ramp van
de 20e eeuw. De overstromingen hebben aan 1836 mensen
en tienduizenden dieren het leven gekost. De meeste
slachtoffers vielen in het zuidwesten maar ook op Texel en in
Engeland werd een verbeten strijd geleverd tegen het water.
Een ongelukkige samenloop van omstandigheden zwiepte
het water op tot
ongekende hoogten. Een bijzonder zware
noordwester, met het ergste stormveld over de volle lengte
van de Noordzee, bereikte tijdens astronomisch hoogwater
(wanneer het water toch al het hoogst komt) de kust.
Wat lang niet iedereen weet is dat naast Zeeland en Zuid-
Holland ook de Texelse dijken niet bestand bleken tegen het
wassende water. In polder de Eendracht brak op 1 februari
de dijk. Zes personen, vrijwilligers vonden daarbij de
verdrinkingsdood. Weerkundigen hadden de storm de avond
tevoren in de peiling. In de loop van 31 januari, daags voor
de ramp, werd duidelijk dat ons land aan de vooravond stond
van een catastrofe. De depressie, die recht op ons afkwam,
veroorzaakte bij Schotland een orkaan met windstoten van
180
km./uur. 's Ochtends waarschuwde de stormvloed
waar-
schuwingsdienst op advies van het KNMI voor flink hoog
water. 's Middags werd de waarschuwing opgevoerd tot
gevaarlijk hoog water, volgens de toenmalige procedures de
hoogste staat van alarm die mogelijk was. De Bilt wilde nog
verder gaan, maar de bewoordingen schoten tekort.
Bovendien ging de radio 's nachts uit de lucht. Pogingen van
de meteorologen van het KNMI om de zenders aan de praat
te houden mislukten.

Geruime tijd woedde een zware tot zeer
zware storm
(windkracht 10 tot 11). In het noordwesten werden wind-
stoten gemeten van 144 km./uur. In de Zeeuwse wateren
bereikte de storm kort voor middernacht zijn hoogtepunt.
Vlissingen kreeg toen te maken met de grootste opwaaiing,
zo'n 310 cm. boven normaal. Halverwege de nacht, tijdens
springtij, kwam het water tot 455 cm. boven NAP. De dijken
konden dat niet aan. De wanhopige bevolking kreeg zondag-
middag nog een tweede vloed te verwerken, waardoor het
water nog hoger kwam. Velen die de eerste vloedgolf
hadden overleefd verdronken of dreven op daken waarnaar
ze gevlucht waren. De storm en de waterberg die daarvan
het gevolg was is naar de mogelijkheden van begin jaren
vijftig goed voorspeld. Tegenwoordig zijn de verwachtingen
dankzij de computerberekeningen een stuk gedetailleerder.
Uit naberekeningen met de gegevens van '53 door de
huidige computers blijkt dat de komst van zo'n storm
vandaag de dag zo'n drie of vier dagen tevoren
zichtbaar
wordt op de weerkaarten. Op een termijn van 48 uur tevoren
is tot
in de kleinste details aan te geven hoe hard het gaat
waaien. De rekenmodellen geven ook nauwkeurig aan hoe
hoog het water dan komt. Het KNMI waarschuwt de
bevolking en overheidsdiensten in zo'n situatie, bij wind-
kracht 10 of meer, tegenwoordig door middel van een waar-
schuwingssysteem ingedeeld door middel van kleurcodes.
In dit geval zou waarschuwingscode rood zijn uitgegeven,
een Weeralarm voor zeer gevaarlijk weer dat leidt tot grote
overlast of ontwrichting van de samenleving.

De watersnoodramp van 1953 (vervolg 2)

KNMI sloeg alarm voor wat de grootste natuurramp van de
20e eeuw werd, maar dat drong niet overal door. Dat de
twee Hilversumse radiozenders uit de lucht waren, gaf in de
weerkamer een gevoel van onmacht. Onheilspellend zagen
de weerkaarten er zaterdagavond 31 januari 1953 uit en het
werd steeds erger. Zo ernstig dat de dienstdoende
meteorologen van het KNMI zeer bezorgd waren over het
naderende gevaar en alles op alles zetten om hun
dramatische waarschuwingen bij de bedreigde mensen te
krijgen. Om middernacht klonk echter het Wilhelmus door
de ether. In die tijd waren er nog geen nachtuitzendingen en
verwoede pogingen van oud-weerdienstleider
dr. K.R. Postma en collega-meteoroloog dr. H. Bijvoet om
een van de twee Hilversumse radiozenders bij wijze van
uitzondering in de lucht te houden mochten niet baten.
"Die mogelijkheid werd ons die nacht ontnomen en dat gaf
in de weerkamer een ontzettend gevoel van onmacht."
vertelde Postma journalist Kees Slager voor zijn boek:
De ramp, een reconstructie.
Eventueel figuren aanklikken s.v.p.

Oude-Tonge op Goeree-Overflakkee (Bron: Wikipedia)

Storm was al een dag tevoren voorzien

Bijvoet en Postma hebben als meteorologen van het
KNMI een enorme reputatie opgebouwd.
Herman Bijvoet (1918-2000) heeft vooral veel betekend
voor de introductie van de numerieke weersvoorspelling,
de rekenmodellen van de atmosfeer waarop tegenwoordig
de verwachtingen zijn gebaseerd.
Klaas Rienk Postma
(1913-2005) was tientallen jaren lang als weerdienstleider
zeer betrokken bij de meteorologie. De Watersnoodramp,
waarbij 1836 landgenoten de dood vonden en circa
200.000 hectare grotendeels cultuurgrond overstroomde,
is de zwartste bladzijde uit zijn leven. Meteorologisch is
het de belangrijkste gebeurtenis in zijn loopbaan.

"Je kunt zeker niet zeggen dat Nederland door de storm is overvallen"

We hadden de storm al sinds vrijdagavond in de gaten.
Je kunt dus zeker niet zeggen dat Nederland er door over-
vallen is. Vrijdag ontwikkelde zich achter een depressie ten
zuiden van IJsland een stormveld, dat zaterdag pal ten
noorden van Schotland krankzinnige windsnelheden
veroorzaakte. Over de uiterste punt van Schotland is toen
één van de zwaarste orkanen uit de Schotse geschiedenis
getrokken. Er zijn daar die zaterdag miljoenen bomen
gesneuveld. Nou, die stormdepressie zakte af naar de
Duitse Bocht en volgde een koers, die voor ons
desastreus was. De wind draaide toen op de noordelijke
Noordzee naar het noordnoordwesten. Dat betekende dat
er een stormveld van ongeveer duizend kilometer lengte,
precies over het water, recht op onze kust afliep".

Postma dacht zaterdag rond het middaguur niet aan een
watersnood omdat hij niets wist over de toestand van de
zeedijken, maar verwachtte wel een zeer zware storm
(windkracht 11) met veel schade en ellende door
afgewaaide daken en afgeknapte bomen. Een uur later
werd hij afgelost door Bijvoet, die tijdens vloed in de nacht
van zaterdag op zondag een enorme 'waterberg' voor het
zuidelijk deel van de Noordzee voorzag. Bij de stormvloed-
waarschuwingsdienst ging zaterdag onder regie van het
KNMI om 11 uur een waarschuwing uit voor 'flink hoogwater
voor de groepen Rotterdam, Willemstad, Bergen op Zoom
en Gorinchem.'

De baan van de rampzalige stormdepressie tussen
30 januari en 2 februari 1953
(Bron: KNMI-bijdrage tot het rapport van de
Deltacommissie)

Waarschuwingscriteria schieten tekort

Er kon volgens de regels nog niet gewaarschuwd
worden voor het nachtelijke hoogwater dat tot de ramp
zou leiden. Meteorologische berichten werden indertijd
via telex uitgewisseld. Dat ging vrijwel net zo snel als
tegenwoordig maar vandaag de dag gaat de verwerking
van alle informatie met computers natuurlijk veel sneller.
Bovendien zijn er nu veel meer gegevens beschikbaar,
vooral van waarnemingen op zee. Een ander probleem
was de routine afspraak dat een waarschuwing voor
hoogwater geldt voor de eerstvolgende twee hoogwater
situaties. Pas na het eerste hoogwater mag de volgende
waarschuwing uit. Zodoende kon er toen volgens de regels
nog niet gewaarschuwd worden voor het nachtelijke
hoogwater dat tot de ramp zou leiden. Toch kregen de
meteorologen zaterdagmiddag aanwijzingen voor een
'riskante weerontwikkeling', schrijft KNMI-meteoroloog
Ton Donker in Meteorologica (mrt. 1993), het tijdschrift van
de Nederlandse Vereniging voor Beroepsmeteorologen.
Voor het Deltagebied werd een nog hogere opstuwing van
het water berekend dan 's ochtends was voorzien.
Dijkbewaking was dan noodzakelijk.

Om kwart voor zes gaat een nieuw waarschuwings-
telegram uit en aan het slot van het weerbericht van 6 uur
hoorde iedere radioluisteraar: "Boven het noordelijke en
westelijke deel van de Noordzee woedt een zware storm
tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich
verder uit. Verwacht mag worden, dat de storm de gehele
nacht zal voortduren en in verband hiermede werden
vanmiddag om half zes de groepen Rotterdam,
Willemstad en Bergen op Zoom gewaarschuwd voor
gevaarlijk hoog water". Achteraf had meteoroloog Postma
in de waarschuwingstelegram liever de term 'zeer
gevaarlijk hoog water' gebruikt. Volgens de procedure,
waarbij de berichten via de PTT telegraafkantoor in
Amsterdam aan alle personen en instanties werden
verspreid, kon alleen gewaarschuwd worden voor 'flink
hoog water' en 'gevaarlijk hoog water'. Maar omdat het
aanvaardbaar peil - een bepaalde ondergrens die werd
gehanteerd - fors dreigde te worden overschreden had
Postma liever de (niet bestaande) term 'zeer gevaarlijk
hoog water' gebruikt.

Storm hield lang aan

Terwijl de kern van de uitdiepende stormdepressie met
een kerndruk van minimaal 970 hPa op zaterdagavond in
zuidoostelijke richting over de Noordzee trok nam de wind
aan de achterkant van de depressie verder toe: boven zee
tot een zeer zware noordwesterstorm, windkracht 11,
aan de kust tot windkracht 10. Den Helder registreerde in
het begin van de nacht een uur lang een gemiddelde
windsnelheid van 27 meter per seconde (97 km/uur) en
een hoogste windstoot van 144 km./uur. Op verschillende
weerstations langs onze kust, waaronder ook Vlissingen
werd windkracht 10 gemeten. Ook in het binnenland
bulderde de storm waarbij vrijwel overal zeer zware
windstoten optraden van meer dan 100 km/uur.
Het windveld dat zich over de hele Noordzee en ons land
ontwikkelde, hing samen met enorme verschillen in
luchtdruk: in de nacht van zaterdag op zondag wezen de
barometers in Eelde liefst 23 hPa lager aan dan in
Vlissingen, een zeldzaam groot verschil. De storm nam
maar langzaam in kracht af en hield daardoor lang aan,
vooral in het zuidwesten van ons land waar de windmeters
ongeveer 20 uur achtereen windkracht 9 of meer aanwezen.

Toen bezweken de dijken

Op zeker 90 plaatsen in het zuidwesten van ons land
begaven de dijken het en voltrok zich de ramp.
In de Zeeuwse wateren bereikte de storm rond 22 uur zijn
hoogtepunt, waarna IJmuiden 's nachts om 1 uur de
zwaarste storm meldde en Den Helder om 4 uur.
Daardoor lag ook het tijdstip van maximale opstuwing in
het noorden later dan in het zuidwesten. Water loopt
gemiddeld tweeëneenhalf uur achter op de wind, zodat
Vlissingen rond middernacht met de grootste opwaaiing
te maken kreeg, zo'n 3.10 meter boven normaal op basis
van de tevoren berekende getijkromme. De waterstand
bereikt echter pas zijn hoogste stand rond astronomisch
hoogwater en dat was die nacht om 3.24 uur.
De opwaaiing was toen al iets minder geworden maar
storm en springtij leverde bij Vlissingen rond dat tijdstip
een hoogste waterstand van 4.55 meter boven NAP op.
Veel dijken konden dit niet meer aan en op zeker
negentig plaatsen in het zuidwesten van ons land
begaven de dijken het en voltrok zich de ramp. 

Uitgebreide weerkaart KNMI, 31 januari 1953, 12u00 GMT
Uitgebreide weerkaart KNMI, 31 januari 1953,
12u00 GMT (Bron: KNMI-bijdrage tot het
rapport van de Deltacommissie)
Uitgebreide weerkaart KNMI, 31 januari 1953, 18u00 GMT
Uitgebreide weerkaart KNMI, 31 januari 1953,
18u00 GMT (Bron: KNMI- bijdrage tot het
rapport van de Deltacommissie)
Uitgebreide weerkaart KNMI, 1 februari 1953, 00u00 GMT
Uitgebreide weerkaart KNMI, 1 februari 1953,
00u00 GMT (Bron:KNMI-bijdrage tot het
rapport van de Deltacommissie)

Slachtoffers watersnoodramp

De Watersnoodramp kostte 1836 mensen het leven.
De wanhopige bevolking kreeg zondagmiddag nog een
tweede vloed te verwerken, waardoor het water in de
polder nog hoger kwam dan 's nachts. Velen mensen
die de eerste vloedgolf hadden overleefd verdronken die
middag of dreven op daken waarnaar ze gevlucht waren.
Ook de Engelse oostkust kreeg zondag 1 februari te
maken met overstromingen en grote schade door de wind.
Hierbij verloren 150 Engelsen het leven. Daags tevoren
raasde de storm over Schotland, ook daar was de schade
enorm. De Watersnoodramp kostte in Nederland 1836
mensen en tienduizenden dieren het leven. De meeste
slachtoffers vielen in het zuidwesten maar ook op
Texel en in Engeland werd een verbeten strijd geleverd
tegen het water.

Springvloed

Door variaties in de afstand van de maan tot de aarde
bestaan er lage en hoge springvloeden. De springvloed
van 1 februari hoort tot de lage springvloeden.
Veertien dagen later zou sprake geweest zijn van hoge
springvloed en zou het water nog 40 cm. hoger zijn
gekomen. Als dezelfde storm dus op 15 februari had
gewoed was de situatie nog ongunstiger geweest.
Ook het tijdstip van maximale opwaaiing had ongunstiger
kunnen zijn: als dat was samengevallen met het moment
van de hoogste springvloed was het water nog hoger
gekomen. Ook als de storm eerder was gekomen,
was de ramp waarschijnlijk nog erger geweest: een maand
eerder was het 'opperwater' door de hoge waterstand van
de Rijn een stuk hoger.

Goed voorspeld

Een storm als die van 1953 is vandaag de dag vaak al
een dag of vier tevoren zichtbaar op de weerkaarten.
De storm en de waterberg die daarvan het gevolg was,
is naar de mogelijkheden van begin jaren vijftig goed
voorspeld. Terugkijkend op de ramp is nauwelijks te
bevatten wat zich die nacht heeft afgespeeld.
Weerwaarschuwingen en weerberichten worden tegen-
woordig continu via tal van kanalen verspreid.
Uit naberekeningen met de gegevens van 1953 door de
huidige computers blijkt dat de komst van zo'n storm
vandaag de dag zo'n drie of vier dagen tevoren zichtbaar
wordt op de weerkaarten.

Hoe uitzonderlijk was de storm?

De zeldzaamheid van de stormvloed van 1953 is vooral te
wijten aan de extreme waterstanden. De storm van 1953
haalde een hoogste uurgemiddelde van windkracht 10 en
is daarmee niet de zwaarste storm uit de historie.
De zeldzaamheid van de stormvloed van 1953 is vooral te
wijten aan de extreme waterstanden. In de twintigste eeuw
kent deze stormvloed geen gelijke en over vorige eeuwen
zijn geen exacte gegevens bekend. Net als bij stormen
zijn er uit de pre-instrumentele periode geen objectieve
criteria bekend. De ernst van een stormvloed werd
gerelateerd aan de grootte van het overstroomde gebied
en de mate van schade. Door gebrekkig dijkonderhoud
tijdens politiek bewogen tijden en tijden van armoede was
er indertijd ook meer kans op rampen dan in rustige
welvarende tijden. 

St. Elisabethvloed

Zeker weten we wel dat er in het verleden verschillende
catastrofale stormvloeden voorkwamen, de meest op of
rond 19 november 1421 die bekend staat als de
St.- Elisabethvloed. Ook hier ging het volgens klimaat-
historicus Jan Buisman om een bijzonder zware noord-
westerstorm gevolgd door een zeer hoge stormvloed.
Van springvloed was toen geen sprake maar het natte
weer was er, anders dan in 1953, de oorzaak van dat het
'opperwater' afkomstig van de rivieren nog zeer hoog
stond. De dijkdoorbraken en overstromingen richtten in
Zeeland en Holland grote verwoestingen aan, waarbij
zeker tweeduizend mensen de dood vonden.
Een hardnekkig misverstand wil dat de Biesbosch door
deze stormvloed is ontstaan: in werkelijkheid vond dit
gebied in 1421 en na nieuwe doorbraken in 1424 zijn oor-
sprong en niet in die ene nacht zoals vaak wordt beweerd. 

Allerheiligenvloed

Een andere beruchte stormvloed uit onze historie is de
Allerheiligenvloed in november 1570. De Domeinraad in
Bergen op Zoom heeft op 1 november 1570
"aanmerckende dat die groote stormen van winde
ghisteren begonst" aan de dijkgraven van het Zuid- en
Noordkwartier een waarschuwing gegeven door "seer
uytnemende hooghe vloet". Een lange periode van storm
zwiepte het water tot ongekende hoogten, nog hoger dan
in 1953. Talloze dijken aan de Hollandse kusten begaven
het, waardoor zich enorme overstromingen voordeden en
een reusachtige ravage werd aangericht. Het totale
aantal doden - het buitenland meegerekend - moet boven
de 20.000 hebben gelegen, maar precieze gegevens zijn
niet bekend.
 

Andere stormvloeden

De stormvloed van 13 en 14 januari 1916 leidde tot de
Zuiderzeewerken en de oprichting van de Stormvloed-
seindienst. Recenter is de watersnood van 13 en
14 januari 1916 toen op tientallen plaatsen rond de
Zuiderzee de dijken doorbraken. Deze stormvloed leidde
tot de Zuiderzeewerken en de oprichting van de Storm-
vloedseindienst. Nog recenter zijn middelbare storm-
vloeden op 3 januari 1976 (bij Vlissingen +3.94 meter),
27 februari 1990 (+3.84 meter), 28 januari 1994
(+3.87 meter). Op 17 januari 1962 beleefde Delfzijl een
middelbare stormvloed met in Noord-Duitsland
uitgebreide overstromingen, waarbij honderden
lachtoffers waren te betreuren.

Met dank aan oud-KNMI meteoroloog K.R. Postma,
maritiem meteoroloog C.J.W. Dekker van het KNMI
en historisch geograaf J. Buisman


KNMI /
Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard