Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard

De servicedienst voor al uw weersinformatie!
 



HET WEER,
NADER VERKLAARD
de (oudere) verhalen zijn soms niet meer helemaal up to
date, onze excusses daarvoor, red.

Sneeuwweetjes

Sneeuw heeft ons land weinig, landelijk op 30 dagen
per jaar. Veel valt er meestal niet en vaak is het natte
sneeuw bij temperaturen boven nul. Een sneeuwlaag
die dagen blijft liggen, komt nog minder voor.
In sommige winters helemaal niet, maar meestal ligt er
wel even sneeuw. In Zeeland en Zuid-Holland op 10
dagen per jaar, in het oosten van Groningen, Drenthe
en de Limburgse heuvels ligt op 25 dagen sneeuw.
In het binnenland valt gemiddeld eens per 10 jaar meer
dan 20 cm. en eens per 50 jaar meer dan 35 cm.
De vroegste datum met een sneeuwtapijt in De Bilt is
13 oktober (1975), de laatste 17 mei (1935). Sneeuw-
vlokken zijn ook in september of juni wel eens gezien.

Ontstaan van sneeuw:

Vrijwel alle neerslag begint als sneeuw. Water van de
aarde verdampt, gaat over in druppels en die vormen
een wolk. Door verdamping van waterdruppels slaat
de waterdamp neer op de nietige ijskristallen die reeds
gevormd waren. De ijskristallen groeien steeds verder
aan ten koste van de waterdruppels waardoor de ijs-
kristallen steeds groter en zwaarder worden en op een
gegeven moment zullen ze gaan vallen. De ijskristallen
verkleven verder met elkaar. De sneeuw(vlok) is dan
geboren. ls de lucht op de aarde koud genoeg is
smelten ze niet en valt de neerslag als sneeuw of
smeltende sneeuw.

Kleur van sneeuw:

In tegenstelling tot ijs is sneeuw wit, omdat sneeuw een
minder dichte samenstelling heeft. Sneeuw bevat lucht
waardoor licht wordt weerkaatst. Bij sneeuw is de weer-
kaatsing is voor alle kleuren gelijk en daardoor zijn de
vlokken wit. Alleen tegen een donkere achtergrond,
zoals een donkere lucht lijkt sneeuw grijs.

Geluid van sneeuw
:

Door de lucht die het bevat, werkt sneeuw als
geluiddemper en daarom is het dan veel stiller op
straat. De toonhoogte van voetstappen in sneeuw is
hoger bij lagere temperaturen. Bij temperaturen boven
nul smelt de sneeuw onder de voetstappen en wordt
smeltwater opgezogen. Vriest het meer dan vijf graden,
dan wordt de sneeuw vrijwel geruisloos samengedrukt
onder de voeten. Vriest het meer dan twaalf graden,
dan kraakt sneeuw.

Afkoeling door uitstraling:

Boven sneeuw, vooral boven verse sneeuw, koelt het
's nachts onder een heldere hemel sterker af dan boven
een onbedekte bodem. Sneeuw, en vooral verse
sneeuw bevat veel lucht dat sterk isoleert. Daardoor kan
het verschil in temperatuur tussen het bovenste laagje
en de onderste sneeuw heel groot worden. De bovenste
centimeters zijn het koudst, dieper in de sneeuw loopt
de temperatuur op tot nul bij de aarde. Door de
temperatuurverschillen in de sneeuw ontstaat een trans-
port van waterdamp. Onderin de sneeuw is de druk het
grootst zodat het watertransport van onder naar boven
gaat. Als de damp vanuit de diepte in de toplaag komt,
zal het vocht vastvriezen op het al aanwezige sneeuwijs
en kan het een korstje vormen. De aangroei van boven
gaat ten koste van sneeuw beneden die verdampt.

Sneeuwpatronen:

In sneeuw die op een terras valt, is het legpatroon van
de tegels bij temperaturen van boven nul te herkennen.
De eerste sneeuw smelt en het smeltwater loopt in de
voegen. Daardoor koelt de voeg af tot het vriespunt en
kan daar nieuwe sneeuw ophopen. Pas na een tijd is
de ondergrond zo koud dat de sneeuw ook op de
tegels blijft liggen. De laag is dan dunner dan op de
voegen waar ook de eerste vlokken al bleven liggen.

Gewicht van sneeuw:

Opmerkelijk is ook het gewicht van sneeuw:
1 kubieke meter poedersneeuw weegt zo'n 50 kg.
Dezelfde hoeveelheid samengedrukte plaksneeuw
weegt zo'n 200 kg. en die hoeveelheid als natte
sneeuw kan meer dan 500 kg. wegen.

Sneeuwstatistiek:

Klimatologisch is weinig bekend over sneeuw.
In vorige eeuwen kwam men niet op het idee een
liniaal in de sneeuw te steken en pas halverwege de
vorige eeuw begonnen de weerkundigen met het
aanleggen van reeksen met sneeuwmetingen.
In dagboeken uit de zeventiende- en achttiende eeuw
wordt wel vermeld of er sneeuw is gevallen en of dat
veel was maar indertijd gaf sneeuw voor de samen-
leving veel minder problemen dan met het drukke
verkeer tegenwoordig. Paard en slee waren vroeger
ideaal om een weg te banen door de sneeuw en de
grootste problemen ontstonden pas als de sneeuw
ging smelten. Juist op modderige wegen was er
geen doorkomen aan.

Smelten van sneeuw:

Het smeltproces van sneeuw begint al bij de
stenen waarop het valt. Die slorpen veel straling op
en worden dus warmer. In een stedelijke omgeving
smelt sneeuw ook sneller omdat de neerslag door
rook en stof is vervuild. Vuile sneeuw smelt dus
sneller dan schone sneeuw. Oudere sneeuw is niet
zo wit als verse sneeuw en neemt meer zonlicht op
als warmte. Vuiligheid verlaagt bovendien het
smeltpunt en zorgt er net als strooisel bij gladheid
voor dat de sneeuw eerder smelt.


KNMI /
Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard