HET
WEER,
NADER VERKLAARD
de (oudere) verhalen
zijn soms niet meer helemaal up to
date,
onze excusses daarvoor,
red.
Kleine
IJstijd
De Kleine IJstijd, een
belangrijke bron van inspiratie
voor schilders van winterlandschappen,
leverde niet
alleen maar kou op. Het grootste
deel van de
17e
eeuw,
de gouden eeuw, was zelfs
tamelijk zacht.
Onder klimaat-
onderzoekers
is discussie over de exacte
periode van de
Kleine IJstijd.
Niet
alleen voor
diverse
gebieden op aarde
zijn
er
verschillen, maar het hangt er
ook
vanaf
welk
criterium
wordt
gekozen. Zo wordt voor
de datering
uitge-
gaan van de grootte van gletsjers, de aard en hoeveel-
heid van de
neerslag, de hoogte van
de
boomgrens of de
temperatuur in de Alpen.
Voor de
Lage Landen, waarvan
ook ons land
deel
uitmaakt,
ligt het
voor de hand om de
gemiddelde
temperatuur in
de Bilt en
Brussel als
uitgangs-
punt te
nemen.
In het algemeen
wordt
ervan uitgegaan
dat
de Kleine
IJstijd
rond
1430 begon en tot
halverwege
de
19e eeuw
voortduurde.
Gemiddeld lag de
temperatuur
in
de
Kleine IJstijd in
ons land zo'n 1 à 2
graden
onder de
huidige waarden (in de Grote IJstijden lag de jaargemid-
delde
temperatuur in West-Europa rond
-15 graden!).
Daarna trad
een
stijging
van de
temperatuur op,
vooral in
de tweede helft van de 20e eeuw, zeer waarschijnlijk
mede
door
menselijke invloeden.
Een koudegolf van december 1586 tot en
met
september
1587 is een
eerste
forse
inzinking van de
Kleine IJstijd.
Overal in West- en Midden-Europa
wordt
het in de twee-
de
helft van de
16e eeuw
kouder.
De winters gaan
achteruit
met
meer sneeuw en ijs,
beginnen vaak al in
november
en
duren
tot
maart of april.
Vanaf 1530 worden
ook de
zomers koeler met
herfstweer,
compleet
met
storm
en
stormvloeden. Uit historisch onderzoek van het
KNMI,
gebaseerd op
talloze
bronnen, zoals
dagboeken,
stadsrekeningen
en
jaarringen van bomen.
Hieruit blijkt
dat de
laatste kwart van de 16e eeuw waarschijnlijk het
koudst
was
in de
afgelopen 1000 jaar.
Deze periode is
het dieptepunt
van
de Kleine IJstijd.
Ook het eerste kwart
van
de
17de
eeuw was nog koud,
maar daarna
trad een
duidelijk
herstel op en werd het zelfs
relatief zacht.
Zo waren de
winters van
1636 en
1637 in
West-Europa
zacht en de
zomers in die jaren zelfs warm
met
opnieuw
vroege en
rijke
wijnoogsten.
De Kleine IJstijd
kende
dus
grote natuurlijke
variaties: koude periodes
werden
afgewisseld door
series minder
koude periodes.
KNMI / Weer Servicedienst Leeuwarden/Wytgaard